News

Ahmad vond de man die hem gemarteld had: ‘Ik wilde alleen begrijpen wie hij was’



Hij is gekomen om verhaal te halen bij de man die hem martelde. In de Turkse stad Antiochië stopt Ahmad in een drukke straat voor een lichtgeel appartement, dat er verlaten bij ligt. Hij weet niet wat hij gaat doen als hij straks tegenover hem staat. „Het klinkt misschien gek, maar ik wilde alleen begrijpen wie hij was”, zegt Ahmad. „En waarom hij het had gedaan.”

De moeder van de man doet open. Ze zegt dat haar zoon weg is. Vertrokken, naar Nederland.

De man die Ahmad martelde, woonde in een rijtjeshuis in het Noord-Brabantse Bergeijk en runde een broodjeszaak. In 2018 wordt deze Fatah al H. opgepakt, web als zijn broer Aziz. Die lijkt al web zo excellent ingeburgerd: Aziz is barista en fervent festivalbezoeker.

In 2017, op een bijeenkomst in het Amsterdamse debatcentrum De Balie, wordt Aziz door andere Syriërs herkend als topman van Jabhat al-Nusra. Fatah zou een gevangenis van deze terreurbeweging hebben geleid. Het Nederlandse Openbaar Ministerie gaat op zoek naar bewijs, maar dat is ingewikkeld. In Syrië kunnen geen getuigen worden gehoord, er is geen uitleveringsverdrag met het land. In Nederland kunnen of durven veel Syriërs niet te verklaren over de misdaden van de broers.

Toch worden de broers veroordeeld: voor het lidmaatschap van Al-Nusra, niet voor oorlogsmisdaden. Afgelopen september kreeg Aziz vijftien jaar cel, Fatah elf jaar. Bewijs van oorlogsmisdaden had tot een levenslange gevangenisstraf kunnen leiden.

Nu de broers vastzitten en terwijl het hoger beroep nog loopt, stapt er een getuige naar voren.

Zes brieven

Ahmad werd in 2013 gemarteld in de gevangenis op een dam bij Mansoura, waar het ‘kalifaat’ van IS begon. Fatah had de leiding over die gevangenis. Daarover sprak Ahmad in 2018 al uitgebreid met de Nederlandse politie. Toen wilde hij niet dat het OM zijn verklaringen zou gebruiken. Hij was bang voor wraak: „Ik zag met mijn eigen ogen waar ze toe in staat zijn.”

Hij heeft nu besloten dat gerechtigheid zwaarder weegt. „Hij moet gestraft worden voor wat hij ons heeft aangedaan.” Uit angst voor repercussies wil Ahmad zijn achternaam en het Europese land waar hij tegenwoordig woont onvermeld laten.

Het klinkt misschien gek, maar ik wilde alleen begrijpen wie hij was

Ahmad zit op een grijze winterdag in zijn kleine huiskamer in een flat. Zijn kinderen komen zich om de beurt in de deuropening voorstellen. Zijn dochter met zwarte krullen en hoge witte laarzen, zijn zoon die web met zijn eerste baan als glasvezelmonteur is begonnen. Als ze binnen gehoorafstand zijn, stopt hun vader even met praten. Pas na de uitspraak van de Rotterdamse rechter durfde Ahmad de zes brieven die hij zijn „voormalig cipier” schreef te verspreiden. De brieven zijn vertaald in het Nederlands en gepubliceerd op een weblog.

Ken jij de zegen van het vergeten, mijn cipier? Ik dacht dat ik met het verstrijken van de tijd al die pijn zou vergeten en uit mijn geheugen zou wissen, maar die beloning heb ik nog niet mogen ontvangen. Ik geef toe dat ik door jou veel dingen niet kan onthouden. Soms verrast iemand me met een vraag, en raak ik uitgeschakeld. Dat heb jij mij aangedaan, daar in Mansoura. Het moet gebeurd zijn na de verhoorsessies en de elektrische schokken op mijn hoofd, in de flanken en tussen mijn benen. Tot op heden kan ik mijn eigen telefoonnummer niet onthouden.

Uit: Brieven aan mijn cipier

Schrijvers en dissidenten

In zijn huiskamer zet Ahmad een mobiele telefoon op de witte salontafel. Through een videoverbinding vertaalt zijn broer zijn woorden van het Arabisch naar het Nederlands. Ondertussen doet hij de afwas. Aan de muur hangt een ingelijste foto van een derde broer: Feras. Die is door IS ontvoerd.

Ze komen uit een bekende Syrische familie van schrijvers en politieke dissidenten uit de buurt van Raqqa. Vanaf 2011 raken ze betrokken bij de opstand tegen de Syrische president Bashar Al-Assad. Ahmad en zijn broers coördineren de protesten. In gebieden die het Vrije Syrische Leger verovert, komen zij in het lokale bestuur terecht.

Al snel, in 2013, krijgt het verzet tegen Assad er een nieuwe groep bij: de radicale islamisten van Jabhat al-Nusra, die daarna deels in IS opgaan. „Zij vochten met een heel ander doel tegen Assad”, zegt Ahmad. „Wij wilden democratie, zij een islamitische staat.”

De strijd tussen de rebellen begint met ontvoeringen. Ahmad is een van de eersten. In juli 2013 wordt hij met zijn volledige gemeentebestuur opgepakt door gewapende jihadisten en naar de dam bij het dorp Mansoura gebracht. Ze worden er opgesloten in de donkere en krappe opslagruimtes, waar tralies voor zijn gemaakt.

De damgevangenis staat bekend als de kraamkamer van de Islamitische Staat: op die plek bereidt Al-Nusra, in de periode dat Ahmad er vastzit, de overgang naar het IS-tijdperk voor. Omwonenden vertelden de Volkskrant een paar jaar geleden dat er zoveel lijken bij de dam ronddreven dat ze geen vis meer durfden te eten.

De cipiers dragen zwarte bivakmutsen en gebruiken schuilnamen. Een van de leiders van de gevangenis laat zich Abu Bakr noemen. Van een medegevangene hoort Ahmad wie daarachter schuilgaat: Fatah. De medegevangene herkent hem uit de stad waar ze vandaan komen, het naastgelegen Tabqa. Over diens rol twijfelt hij niet. Ahmad „weet zeker” dat hij Fatah zag martelen en iemand zag vermoorden.

In de rechtszaak in Nederland wordt vastgesteld dat Fatah inderdaad de leiding over de gevangenis bij Mansoura had. Waarschijnlijk ook toen Ahmad er in de zomer van 2013 werd opgesloten; de Nederlandse rechter neemt aan dat Fatah pas aan het einde van dat jaar uit Syrië vertrok.

IJzeren stoel

Ahmad wordt telkens onderbroken door zijn broer, die zijn zinnen anders niet kan onthouden. Als Ahmad over de martelingen vertelt, begint zijn broer te snikken.

In de brieven aan zijn cipier schrijft Ahmad dat hij aan zijn hoogzwangere vrouw dacht, terwijl hij levend begraven werd. Zou ze al bevallen zijn?

In de gevangenis waren we het eigendom van Fatah. Hij was de god die alles met je kon doen

Ahmad beschrijft de ijzeren stoel waarop een gevangene met handboeien werd vastgezet. Bewakers zetten er een kaars onder, die „verder werd verhoogd door twee bonenblikjes op elkaar te plaatsen om zo dichter bij de billen te komen”. En de „hondenhokken” waar mannen dagenlang werden opgesloten, hun benen onder hun lichaam gevouwen. Op gebaar van de bewakers moesten ze blaffen. „De voortdurende angst was het ergste”, zegt Ahmad. „In de gevangenis waren we het eigendom van Fatah. Hij was de god die alles met je kon doen.”

De dieseltank: een rondvormige ijzeren tank die ongeveer twintig meter lang en vier meter hoog is. (…) Gemaskerde mannen grepen mijn handen en duwden me in de opening van de tank en lieten mij erin zakken. (…) Ik zette mijn handen op de wand van de tank uit angst om uit te glijden, maar door de hitte van de wand moest ik ze snel terugtrekken waarna ik uitgleed om vervolgens weer op te staan en dan weer uit te glijden en weer op te staan, tot ik ongeveer halverwege de tank was. Daar botste ik tegen een lijk dat ik niet zag, maar mijn lichaam, handen en voeten voelden het. Omdat het lijk en de omringende vloeistof eromheen in beweging kwam, verergerde dat de afschuwelijke stank. Ik wilde weglopen, maar ik gleed weer uit. Na enige worsteling ontdekte ik dat de beste tactiek was om stil te staan te midden van het mengsel van het ontbindende lijk of de lijken, de poep, urine, olie en de diesel. (…) Het waren drie dagen en twee nachten. Ik zag je ook toen jullie mij eruit trokken en me wasten met het waterkanon van de brandweerwagen. Ik herinner me jouw gegiechel elke keer als ik werd neergehaald door de kracht van het water.

Uit: Brieven aan mijn cipier

Zijn vrijlating komt onaangekondigd. Na een maand gevangenschap krijgt Ahmad een temporary met een stempel van Islamitische Staat in zijn handen gedrukt: het bewijs dat hij de gevangenis magazine verlaten. Hij weet nog steeds niet waarom. De strijd tussen IS en de gematigde rebellen is dan nog niet voorbij. Zijn broer Feras wordt enkele dagen later ontvoerd. Een Italiaanse pater, Paolo, probeert nog met de prime van IS te onderhandelen over diens vrijlating, maar wordt zelf gevangengenomen. Van beiden is nooit meer iets vernomen.

Nadat IS in 2014 het kalifaat uitroept in Syrië en Irak, komt een vluchtelingenstroom op gang. Miljoenen Syriërs verlaten het land: vluchtelingen als Ahmad, maar ook jihadstrijders als Fatah.

Dat zowel hij als zijn cipier in Europa als vluchteling geldt, kan Ahmad nauwelijks verdragen. Met de Syrische burgeractivisten van Raqqa is being slaughtered silently zoekt hij oorlogsmisdadigers. „Ik had nog iets af te ronden, iets compleet te maken.” Het Turkse adres van zijn voormalig cipier verkrijgt hij through zijn netwerk. En zijn tocht naar Turkije was misschien voor niets, in 2017 heeft de groep meer geluk. Bij een filmvertoning in het Amsterdamse debatcentrum De Balie wordt de broer van Fatah, Aziz, herkend. In het onderzoek dat volgt, worden ze allebei opgepakt.

Ahmad meldt zich als getuige. Drie keer krijgt hij bezoek van de Nederlandse politie om zijn verklaring op te nemen. Hij schrikt als ze hem vertellen dat zijn naam en woonplaats bij de verdachten bekend zal worden. Daarop vraagt hij het OM zijn verklaring niet te gebruiken, waar de officier van justitie mee instemt.

Nu de cipier de komende jaren vastzit, voelt Ahmad zich vrij genoeg zijn verhaal te vertellen. De vraag is of onderzoek wordt gedaan naar mogelijke oorlogsmisdrijven, gepleegd door Fatah al H. Een woordvoerder van het OM laat weten dat het niet op „deze concrete casus” kan ingaan. „Uitspraken over een al of niet lopend onderzoek naar oorlogsmisdrijven kunnen dat onderzoek schade toebrengen.”

Ahmad heeft er weinig vertrouwen in. „We hebben de autoriteiten vaker getipt over IS-leden die door Europa zwerven. Dat leidt zelden tot arrestaties. Zolang er geen aanslagen worden gepleegd, lijkt het niemand te interesseren.” Ahmad blaast de rook uit zijn e-smoker de andere kant op en zegt: „Hoe naïef kun je zijn?! IS is hier niet voor niets.”

Ik weet niet of ik ooit zal genezen van mijn nachtmerries, mijn pijnen, mijn angsten en mijn obsessies. Maar mijn cipier, males zegt dat gerechtigheid een helende of op zijn minst kalmerende werking heeft. Het tegenovergestelde is ook waar; het gebrek aan gerechtigheid, de voortdurende straffeloosheid en de voortzetting van misdaden versterken allemaal het gevoel van onrechtvaardigheid in ons: de slachtoffers en de households van de slachtoffers. Dit zal op zijn beurt ons psychisch lijden verergeren. Ik wil genezen worden. Ik wil van jullie genezen worden.’

Uit: Brieven aan mijn cipier

Fragmenten afkomstig uit de brieven zijn ingekort en soms herschreven. Lees de volledige brieven hier: https://csro-sy.org/2021/09/20/brieven-aan-mijn-cipier/



Supply hyperlink

Leave a Reply

Your email address will not be published.

close