News

Het kan weer: pelikanen in de Nederlandse delta


Water, riet en wilgenmoeras. Duizenden dobberende watervogels, een vissende grote zilverreiger. „Dit gebied zou perfect voor ze zijn”, zegt Pepijn Calle van Stichting Het Zeeuwse Landschap. Met de rug in de wind staan we op de Philipsdam, midden in de Zeeuws-Hollandse Delta. We kijken uit op het zoete Krammer-Volkerak. „Kijk daar: een mooi eilandje met lage begroeiing. Een brede buffer eromheen, voldoende ondiep water om in te vissen. Ja, ik zie ze hier zomaar broeden. Er passen zo tientallen paren op dat eilandje.”

Ze zijn er nu niet, zelfs in de wijde omtrek niet, maar ze kúnnen hier ooit weer gaan broeden. Pelikanen, daar heeft Calle het over. Kroeskoppelikanen, om precies te zijn. Machtige viseters, even zwaar als een knobbelzwaan maar dan met een spanwijdte van 3,5 meter. Met hun karakteristieke silhouetten en schepsnavels lijken ze heel exotisch. Toch hoorden ze ooit bij onze moerassen zoals ooievaars bij de hooilanden. Maar tegen het eind van de Middeleeuwen stierven ze hier uit, door overbejaging en verlies aan natuur. Nu vind je ze enkel nog in Zuidoost-Europa, en verder tot in Centraal-Azië.

„Dit zou een kerngebied kunnen worden voor een broedpopulatie van kroeskoppelikanen”, zegt Calle over de hele Zeeuws-Hollandse Delta. „Evenals de Oostvaardersplassen en het Friese Merengebied. Vissen kunnen ze ook in het Lauwersmeer, de Gelderse Poort en het stroomgebied van de Schelde in België.” Dat alles staat in een rapport dat eind 2021 verscheen: Kansen kroeskoppelikaan in Nederland en Vlaanderen. Het rapport is geschreven door ecoloog Gijs Kurstjens, Sovon Vogelonderzoek Nederland, Wageningen UR en het Vlaamse Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. Opdrachtgevers waren verschillende Europese natuurorganisaties, waaronder Het Zeeuwse Landschap en ARK Natuurontwikkeling.


Het rapport concludeert: de Lage Landen zijn weer geschikt voor de kroeskoppelikaan. Minstens 250 paren zouden hier kunnen leven. De waterkwaliteit is goed, er zit volop vis en er zijn genoeg mogelijke broedplekken. Maar we moeten de soort wel een handje helpen. Op eigen kracht komen de vogels hier niet terug.

Voor grote, iconische moerassoorten is Nederland eeuwenlang niet geschikt geweest. Ons land kent een lange geschiedenis van jacht, vergiftiging, eierrapen, bomenkap, inpoldering en ontwatering. Weelderige moerassen met kronkelende kreken maakten plaats voor polders met kaarsrechte waterlopen. Geleidelijk kwam daar watervervuiling bij.

„In mijn jeugd ging het met alle moerassoorten slecht”, vertelt Leo Linnartz van ARK Natuurontwikkeling, die ook met zijn kijker op de Philipsdam staat. „Purperreigers en lepelaars zag je nauwelijks meer. Zeearenden waren een zeldzaamheid. Otters en bevers waren er al helemaal niet.”

Bergketens in de weg

Maar in de laatste decennia keerde het tij. Vanaf 1968 ontstonden de Oostvaardersplassen, in de kersverse Flevopolder. Al gauw barstte het daar van de vissen en watervogels. Vanaf 1980 verbeterde in heel West-Europa de waterkwaliteit, door strengere milieuwetgeving. En rond diezelfde tijd kwam er nieuw beleid rond de inrichting van het Nederlandse rivierengebied, met meer ruimte voor natuurlijke processen. Waterveiligheid was de drijfveer, maar als bonus ontwikkelde zich veel nieuwe, natte natuur in de delta’s en uiterwaarden.

„En dan had je nog de Deltawerken”, vertelt Calle. Vanaf 1987 ontstond hier het zoete Krammer-Volkerak, door het sluiten van de Philipsdam. „Het is nu een van de rijkste zoetwatergebieden van Europa, met ongekende aantallen watervogels.”

Als het gebied weer geschikt is voor pelikanen, zullen ze dan niet vanzelf terugkeren, net zoals de zeearend in 2006? „Voor de kroeskoppelikaan is die kans vrijwel nihil”, antwoordt Linnartz. „Ten eerste omdat bergketens de weg versperren. Pelikanen vliegen maar zelden hoger dan 1.500 meter.” De dichtstbijzijnde kolonies zijn in Montenegro en de Donaudelta. De Alpen, de Karpaten en het Balkangebergte liggen in de weg.


Daarnaast broeden pelikanen in kolonies. Je hebt minstens enkele tientallen paren nodig als start van een nieuwe kolonie. Dat lukt nooit met de gemiddeld één of twee zwervers per jaar in West-Europa, denkt Linnartz. Bovendien is er in Centraal-Europa nauwelijks geschikt leefgebied als overbrugging. „We hebben natuurlijk het liefst dat soorten vanzelf terugkeren”, zegt Linnartz. „Maar bij soorten die dat zelf niet redden, moet je niet te beroerd zijn ze een handje te helpen. Per slot van rekening hebben wij ze in het verleden ook de andere kant op geholpen.”

Calle is het daarmee eens. „De soort is ooit door ons toedoen verdwenen”, zegt hij. „Dan hebben wij ook een verantwoordelijkheid om hem terug te brengen, als de omstandigheden weer goed zijn en de soort het niet op eigen houtje kan.”

Meeprofiteren

We lopen een rondje over de Slikken van de Heen, een ruige punt van Sint Philipsland in bezit van Het Zeeuwse Landschap. Kreken en rietkragen worden afgewisseld door grasland met duindoorn, berkjes en wilgen. Hier grazen koeien, konikpaarden en wisenten, die samen het landschap open houden. De wisenten, of Europese bizons, zijn hier geherintroduceerd. „Ze spelen een speciale rol in het beheer van dit gebied”, zegt Calle. „Kijk daar: ze breken die berkjes gewoon doormidden en trekken zelfs de duindoorns omver. Koeien doen dat niet.”

De wisenten zijn dus nuttig: ze voorkomen dat het gebied dichtgroeit. Maar waarom zouden we eigenlijk kroeskoppelikanen willen terughebben? „De soort hoort hier van oudsher thuis”, zegt Calle. „Nederland was met al zijn moerassen een van de kerngebieden in Europa.” De pelikanen spelen als grote viseter een bijzondere rol in het ecosysteem. Grote viseters maken het systeem compleet, vindt de ecoloog.

En ze kunnen helpen mensen enthousiast te maken voor natuurbescherming, voegt Linnartz toe. „Als je als beheerder een rustgebied wilt creëren voor watervogels, dan helpt het als je zegt dat je dat voor de pelikanen doet”, zegt hij. „Dat zien we al bij de zeearend. En intussen profiteren allerlei andere soorten daarvan mee.”

Vissers hoeven overigens niet bang te zijn dat de pelikanen al hun vis zullen opeten: daarvoor zijn de vogels met te weinig. Sterker nog: veel vissers hebben er een zwak voor, weet Linnartz. In Zuid-Europa nemen ze recreanten en fotografen mee aan boord. Dat zou ook in Nederland kunnen. Pelikanen kunnen een toeristische trekpleister worden, en zelfs een verdienmodel. Maar, zo benadrukt hij: „Niet alles hoeft functioneel te zijn. De kroeskoppelikaan hoort er gewoon bij. Als wij hem hier kunnen terugbrengen, dan moeten we dat doen.”

Het nieuwe rapport beschrijft niet hoe je dat dan zou moeten doen. De specialisten hebben er wel een paar ideeën over. Diergaarde Blijdorp in Rotterdam heeft een kolonie kroeskoppelikanen. Die planten zich zo succesvol voort dat de dierentuin aan geboortebeperking doet. „Blijdorp heeft veel ervaring met deze soort”, vertelt Calle, „en werkt ook actief mee in onze projectgroep.”

Je zou een groep gekortwiekte pelikanen kunnen uitzetten

Pepijn Calle Het Zeeuwse Landschap

Je zou dus relatief gemakkelijk pelikanen uit Blijdorp kunnen uitzetten – en uit andere dierentuinen die meedoen aan het Europese fokprogramma. Dat is opgezet omdat de soort in het wild de status ‘kwetsbaar’ heeft. Dat is nog een argument om de dieren hier uit te zetten: nieuw leefgebied geeft de soort een sterkere basis.

Als je van één vleugel de grote slagpennen afknipt, kan een vogel een tijdlang niet vliegen. „Je zou dus een groep gekortwiekte pelikanen op een geschikte locatie kunnen uitzetten”, zegt Calle, „en ze dan nog een tijdje bijvoeren, om ze aan het gebied te binden. Dat bijvoeren kun je dan geleidelijk afbouwen.” Als de veren weer zijn aangegroeid, kunnen de pelikanen zelf in de wijdere omtrek gaan foerageren.

„We verwachten dat dieren uit gevangenschap hier prima kunnen overleven”, zegt Calle. „In Noord-Nederland heeft meer dan een jaar een ontsnapte pelikaan rondgezworven.” Maar hoe honkvast uitgezette vogels uiteindelijk zullen zijn, durft hij niet te zeggen. „Uiteindelijk zullen ze zelf de beste gebieden uitkiezen.”

Tuinieren

We brengen nog even een bezoekje aan een vogelkijkhut. Op het water drijven duizenden watervogels. Hoog in de lucht cirkelt een zeearend, met zonlicht op zijn hagelwitte staart.

Zjoef, zjoef, zjoef, horen we. De hut staat in de slagschaduw van een paar enorme windturbines, onderdeel van het Windpark Krammer. „Het rapport beschrijft ook mogelijke bedreigingen”, vertelt Calle. „Windmolenparken zijn daar één van.” Pelikanen lopen net als andere vogels het risico dat ze op een wiek botsen. „De energietransitie gaat in de toekomst steeds meer schuren met natuurdoelstellingen”, voorspelt hij. „Maar je kunt maatregelen nemen om de sterfte te beperken. Dit park is bijvoorbeeld uitgerust met een cameradetectiesysteem. De wieken worden automatisch stilgezet als er een grote vogel langsvliegt.”

Het herintroduceren van diersoorten kun je tuinieren noemen. Maar in feite is alles in Nederland tuinieren, vindt Calle. „Als je een diersoort fulltime moet vertroetelen om hem hier te behouden, dan vind ik dat niet zo zinvol”, zegt hij. „Maar als je ze met kleine ingrepen een steuntje in de rug kunt geven, waarom zou je dat dan niet doen?” Linnartz beaamt dat: „Als je in Nederland natuur wilt hebben, dan zul je pragmatisch moeten meebewegen met de kansen die er zijn. Dat vind ik beter dan heel recht in de leer te zijn.”

Met hun verrekijker speuren de heren de vogelplas af. Calle: „Het zou toch fantastisch zijn als je straks echt even goed zou moeten kijken: wat drijft daar voor witte stip? Is het een knobbelzwaan, een wilde zwaan? Of misschien gewoon een kroeskoppelikaan?”



Source link

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

close